
Erfelijke factoren als genen spelen een belangrijke rol bij eetstoornissen, zoals anorexia nervosa en boulimia nervosa. Dat blijkt uit promotieonderzoek van Rita Slof-Op ’t Landt van het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC). Zij ontdekte dat het gen voor tryptofaanhydroxylase 2 (TPH2) de kans een eetstoornis verhoogt.
Eerder hebben tweelingstudies al aangetoond dat erfelijke factoren een rol spelen bij eetstoornissen. Promovenda Rita Slof-Op ’t Landt onderzocht om welke genen het gaat.
4 mogelijke bij genen van eetstoornis
Ze vergeleek 4 mogelijk bij eetstoornissen betrokken genen van patiënten met die van gezonde mensen. Ze ontdekte dat één ervan, het gen voor tryptofaanhydroxylase 2 (TPH2) gekoppeld is aan de kans op de ontwikkeling van eetstoornissen.
Bepaalde varianten van dit gen blijken de kans hierop te verhogen. Daarnaast bleek genetische variatie binnen dit gen ook betrokken bij impulsiviteit.
TPH2 speelt rol bij eetstoornis genen
TPH2 speelt een belangrijke rol binnen het serotoninesysteem. Dat systeem is betrokken bij verschillende biologische, fysiologische en gedragsfuncties die een rol kunnen spelen bij de ontwikkeling van een eetstoornis. ‘Zo is serotonine van invloed op de regulatie van lichaamsgewicht, eetgedrag, maar ook op psychische kenmerken zoals perfectionisme, impulsiviteit en obsessief gedrag’, aldus de promovenda.
‘Genetische variatie in TPH2 lijkt dus invloed te hebben op impulsiviteit, wat de kwetsbaarheid op het ontstaan van anorexia nervosa of eetstoornissen gekenmerkt door zelfopgewekt braken kan beïnvloeden.’
Ongeveer 0,3% van de vrouwen tussen 15 en 29 jaar lijdt aan anorexia nervosa (stoornis gekenmerkt door ondergewicht en extreme angst om in gewicht aan te komen of dik te worden) en 1% aan boulimia nervosa (eetbuien gecombineerd met braken of gebruik van laxeermiddelen).
Dit artikel gaat over de aanleg voor eetstoornissen dat genetisch bepaald is.



